ergoYOU 

doe er ZELF wat aan

 

eend in vreemde bijt


In 1975 studeerde ik af aan de TU Delft als Ir Industrieel Ontwerper. Aansluitend vond ik een baan bij de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) als staf-medewerker op het Centraal Kantoor.


In die tijd was de GMD verantwoordelijk voor het beoordelen van eventuele arbeidsongeschiktheid van Nederlandse werknemers.

Algemeen werd aangenomen, dat veel arbeidsongeschikten nog wel productieve arbeid konden verrichten (of in ieder geval nog redelijk zelfstandig konden leven) door hen te voorzien van technische hulpmiddelen zoals rolstoelen, arm-protheses, etc..

En ik zou me dus gaan bezighouden met die technische hulpmiddelen.


Maar in 1976 werd ik ingeschakeld als (co)docent biomechanica

bij een geheel nieuwe nascholing Bel & Bel voor verzekeringsartsen en
arbeidsdeskundigen. De vraag naar die (na)scholing bleek zo groot, zowel binnen als later ook buiten de GMD en hield zo lang aan, dat ik mij uiteindelijk full-time ben gaan bezighouden met biomechanica.


Al vrij snel na de eerste cursussen werd mij door ex-cursisten gevraagd om de gegeven theorie in de praktijk te komen helpen toepassen.

Dat gebeurde en daarbij bleken twee merkwaardige dingen:


Aan de ene kant kwamen er mensen total loss (80/100) in de wao door gigantische overbelasting in hun werk. Maar vaak bleek dat die overbelasting niet noodzakelijk het gevolg was van dat werk, maar van de manier waarop ze dat werk uitvoerden. Meestal ongehinderd door elementaire biomechanische kennis. En soms dwars tegen voorschriften in. Omdat ze dat makkelijker vonden. Of imposant.


Meestal kon de uitvoering van het werk dan veel lichter worden gemaakt met eenvoudige en goedkope hulpmiddelen.
En flink wat voorlichting en instructie om die hulpmiddelen
in de toekomst toch maar
wel toe te passen.


Aan de andere kant kwamen er ook veel mensen in de WAO door min of meer vage klachten die niet te verklaren waren uit de zwaarte van het werk en ook niet op te lossen met technische hulpmiddelen (werkbank, bureau, stoel, schoeisel, bed, etc.).


Echter, op advies van een arts-cursist maakte ik in 1981 kennis met
JA van den Berg, destijds befaamd fysio- en manueel therapeut
die per jaar duizenden patiënten van allerlei 'vage' klachten afhielp.

Van hem leerde ik dat die klachten samenhangen met (zeer veel voorkomende) houdings- en bewegingsfouten, die echter goed kwantitatief zijn op te meten, na wat oefening gemakkelijk op het oog (of oor) zijn te herkennen en door de patiënt zelf zijn te 'redresseren' met deels unieke, betrekkelijk eenvoudige maar niettemin uiterst effectieve en efficiënte oefeningen.


Na het overlijden van Van den Berg in 1982 heb ik met zijn (en dergelijke, elders gevonden of zelf ontwikkelde) oefeningen mijzelf, collega's, familie, vrienden, en kennissen heel wat rug- en andere pijn kunnen besparen. Ondertussen groeide het wetenschappelijk inzicht waarom die oefeningen werken. En ik begon die kennis en dat inzicht uit te dragen in mijn cursussen en adviezen. Met doorslaand succes.